Opendoekje of toch niet?
Een voorstelling wordt traditioneel afgesloten met applaus door het publiek. De spelers buigen en gaan af, evt. gaat het doek dicht. Wanneer het publiek de voorstelling prachtig vond, blijft men applaudisseren in de hoop dat het doek weer opengaat en de spelers nog een keer terugkomen. Dat noemen we ‘een opendoekje’. De spelers buigen nog een keer. Soms gaat dit fout en voelen de spelers het publiek niet goed aan. Het publiek blijft bijvoorbeeld nog minuten applaudisseren, terwijl de spelers niet meer opkomen. Andersom: de spelers halen juist wel een opendoekje en staan nog te buigen, terwijl het applaus al klaar is.
In deze oefening gaat het om je publiek aanvoelen. De buigende acteurs (bijvoorbeeld een tweetal) wachten op de gang. De spelleider spreekt met het publiek af wat voor een soort voorstelling het was en hoe enthousiast, lang, etc. er geapplaudisseerd wordt.
Wanneer publiek maar door blijft gaan met applaudisseren, kun je ook het teken ‘einde applaus’ introduceren aan de groep. de acteurs doen in hun applauschoreografie net iets anders dan ze in de keren daarvoor deden (juichen, naar voren rennen, applaudisseren zelf om het publiek of de techniek te bedanken, zwaaien bij het afgaan, etc.) Hiermee kun je als acteurs aangeven dat het applaus klaar is.
Voorbeelden van publiek: enthousiaste kinderen (klappen drie seconden en dan is het klaar), publiek bij de opera of het ballet (klappen beschaafd, maar minuten lang, omdat het zo hoort), concert (wordt ook veel gejuicht en gefloten), de lokale senoriorenclub aan het einde van een lezing (staan op tijdens het applaus en lopen direct naar de acteurs toe om met ze te praten), doof publiek (zwaait met handen op schouderhoogte).
